Beginselen behoorlijk bestuur

Toets aan beginsel van behoorlijk bestuur

Besluiten moet een wettelijke basis hebben en bovendien mag een besluit niet in strijd zijn beginselen van behoorlijk bestuur. Als advocaat toets is altijd aan beginselen van behoorlijk bestuur. is het besluit zorgvuldig tot stand gekomen? Zijn de gevolgen van een besluit niet onevenredig? Speelt de overheid geen spelletje door onterecht argumenten te hanteren? Hieronder noem ik de beginselen van behoorlijk bestuur die een rol spelen bij besluitvorming door de overheid en bestuursorganen.

Zorgvuldigheidsbeginsel

Het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 AWB) bepaalt dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In dit beginsel wordt vooral beoogd dat het bestuur het besluit zorgvuldig voorbereidt en op de juiste feiten baseert. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt ook in dat de overheid de schijn van partijdigheid dient te vermijden. Ik zie in de praktijk dat veel; besluiten sneuvelen wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Evenredigheidsbeginsel

Ingevolge het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 AWB) dient de overheid de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af te wegen, zo ver niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De nadelige gevolgen van een besluit mogen voor één of meer belanghebbenden niet onevenredig zijn in de verhouding met de tot het besluit te dienen doelen. Indien één of meer belanghebbenden wel onevenredig nadeel ondervinden van het besluit, dan dient dit door middel van nadeelcompensatie gecompenseerd te worden.

Vertrouwensbeginsel

Het vertrouwensbeginsel brengt met zich mede dat de overheid het door haar opgewekte vertrouwen, al dan niet door toezeggingen of andere handelingen, dient te honoreren. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waarvan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend  (uitspraak 5 september 2012, LJN BX6483) 

Gelijkheidsbeginsel

Uit het gelijkheidsbeginsel volgt dat gelijke gevallen in beginsel gelijk behandeld dienen te worden. Indien in een specifieke situatie er reden is om af te wijken van de eerdere aanpak in een vergelijkbare situatie, dan dient dit door de overheid voldoende en duidelijk gemotiveerd te worden waarom in het voorliggende geval anders wordt gehandeld. Bij het gelijkheidsbeginsel komt het er doorgaans in de praktijk op aan dat de betrokkene die meent dat hij ongelijk behandeld wordt, zelf vergelijkbare gevallen dient aan te dragen en aan het bestuursorgaan dient voor te leggen. Het ligt dan op de weg van het bestuursorgaan om te motiveren dat geen sprake is van rechtens vergelijkbare gevallen.
TIP: Als je een beroep wilt doen op het gelijkheidsbeginsel maak daar dan werk van. Maak foto’s van zoveel mogelijk vergelijkbare situaties waar je een beroep op wilt doen; noteer de adressen van deze vergelijkbare situaties, en beschrijf waarom een situatie vergelijkbaar zijn.

Verbod van willekeur

Het verbod van willekeur (détournement de pouvoir) houdt in dat de overheid de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

Motiveringsbeginsel

Het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 AWB) schrijft voor dat het besluit volledig, voldoende en begrijpelijk is gemotiveerd. In het besluit dient de overheid dient in het kader van dit beginsel voldoende inzicht te geven in de reden(en) die aanleiding zijn of de onderbouwing zijn van het besluit en de beoogde gevolgen daarvan.

Fair play bij de overheid

Niet alleen bij sport maar ook bij de overheid geldt het beginsel van fair play. Het beginsel van fair play brengt met zich mee dat de overheid onbevooroordeeld, onpartijdig en zonder vooringenomenheid haar taken dient te vervullen en besluiten dient te nemen. Artikel 2:4 AWB bepaalt dat de overheid zijn taak vervult zonder vooringenomenheid. Dat houdt onder meer in dat bij de overheid werkzame personen, die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming niet kunnen beïnvloeden.

Rechtszekerheidsbeginsel

Uit het rechtszekerheidsbeginsel volgt dat de burger er op moet kunnen vertrouwen dat deze consequent handelt en het geldend beleid en regels consequent toepast. Wetgeving dient duidelijk te zijn kenbaar en ondubbelzinnig. De rechtspositie van de burger niet op onverwachte of onberekenbare wijze door de overheid mag worden aangetast. Rechtszekerheid betekent ook dat niet met terugwerkende kracht nadelige maatregelen genomen mogen worden door de overheid.

 

Advertenties